MPG 2026 en biobased bouwen: een completer beeld, maar nog geen eerlijk vergelijk
Per 1 juli 2026 verandert de manier waarop de milieuprestatie van gebouwen wordt berekend. De overheid voert een herziene MPG-methodiek in, gebaseerd op de Europese standaard. Tegelijkertijd gaan voor het eerst milieuprestatie-eisen gelden voor diverse utiliteitsgebouwen, waaronder scholen, zorginstellingen, winkels en bedrijfshallen. De methodiek wordt daarmee breder en completer. Of biobased materialen er ook eerlijker van afkomen, is een andere vraag.
Voor de bouwsector betekent dit meer dan een technische aanpassing van een rekensysteem. De wijzigingen raken direct de manier waarop materialen worden beoordeeld en kunnen invloed hebben op ontwerpkeuzes, vergunningstrajecten en de positie van biobased bouwmaterialen. De kernvraag is daarbij niet zozeer wat er verandert, maar of de nieuwe systematiek de milieuvoordelen van natuurlijke materialen daadwerkelijk eerlijk meeweegt. Op drie punten loopt dat vergelijk namelijk nog scheef.
Wat verandert er op 1 juli 2026?
De belangrijkste wijziging is de overstap van elf naar negentien milieu-impactcategorieen. Naast bekende onderdelen zoals klimaatverandering, verzuring en fijnstofvorming worden nu ook andere effecten meegewogen, waaronder landgebruik, waterschaarste en verschillende vormen van toxiciteit.
Daarnaast worden de MPG-eisen uitgebreid naar gebouwtypen die tot nu toe buiten de regelgeving vielen. Waar milieuprestatieberekeningen vooral relevant waren voor woningen en kantoren, krijgen nu ook scholen, zorggebouwen, logiesfuncties, winkels en bedrijfshallen te maken met wettelijke grenswaarden. Voor ontwerpers, adviseurs en opdrachtgevers betekent dit dat materiaalkeuzes nog eerder in het ontwerpproces moeten worden meegenomen.
Meer categorieen betekent niet automatisch een andere uitkomst
Op papier lijkt een bredere beoordeling gunstig voor materialen die zijn gemaakt van hernieuwbare grondstoffen. Materialen op basis van houtvezels, hennep, vlas, stro of schapenwol worden immers anders geproduceerd dan veel conventionele bouwmaterialen. Toch is het te eenvoudig om te stellen dat biobased materialen automatisch beter zullen scoren onder de nieuwe methodiek.
De MPG blijft een levenscyclusanalyse waarbij uiteenlopende milieu-effecten tegen elkaar worden afgewogen. Een gunstige score op het ene onderdeel betekent niet automatisch een gunstige totaalscore. Bovendien hangt de uitkomst sterk af van de kwaliteit van de onderliggende data en van de manier waarop milieu-effecten binnen het systeem worden gewaardeerd. Juist die waardering is het punt waarop de discussie zich toespitst.
CO2-opslag telt nog steeds niet mee
Biobased materialen bevatten biogene koolstof die tijdens de groei van planten en bomen uit de atmosfeer is opgenomen. Zolang die materialen in een gebouw zijn toegepast, blijft die koolstof opgeslagen. In de nieuwe A2-methodiek wordt het effect klimaatverandering opgesplitst in afzonderlijke indicatoren, waardoor zichtbaar wordt hoeveel CO2 een materiaal tijdens de groei vastlegt en hoeveel er na de gebruiksfase weer vrijkomt. Dat is winst, want die stromen worden nu in beeld gebracht.
Zichtbaar is echter niet hetzelfde als gewaardeerd. Omdat de methodiek ervan uitgaat dat de opgeslagen koolstof aan het einde van de levensduur weer vrijkomt, worden de opname tijdens de groei en de uitstoot aan het einde tegen elkaar weggestreept. Het netto-effect van de langjarige opslag komt daardoor in de uiteindelijke score op vrijwel nul uit. De officiele Catalogus biobased bouwmaterialen stelt het onomwonden: biogene koolstofopslag wordt op dit moment niet gewaardeerd in de MPG.
Daarmee is voor ons de zaak helder. Een vergelijking die de vastgelegde CO2 op nul boekt, geeft geen volledig beeld van de klimaatimpact van een materiaal. Materialen die decennia en misschien wel eeuwenlang koolstof vasthouden, komen op papier dicht in de buurt van materialen die bij de productie juist veel CO2 uitstoten. Wie klimaatwinst serieus neemt, kan dat verschil niet wegrekenen.
Einde levensduur: op papier verbrand, in de praktijk herbruikbaar
Het wegstrepen van de opgeslagen CO2 hangt direct samen met een tweede uitgangspunt. In de berekeningen geldt voor biobased isolatie als standaard einde-levensduurscenario dat het materiaal wordt verbrand. In de praktijk klopt dat vaak niet. Schone, mechanisch bevestigde houtvezel kan worden gedemonteerd en opnieuw gebruikt, worden gerecycled tot nieuw plaatmateriaal, of worden gecomposteerd. Productieafval gaat bij de fabricage gewoon terug het proces in en wordt opnieuw verwerkt, zonder noemenswaardig materiaalverlies.
Dat onderscheid is niet vrijblijvend. Juist de aanname van verbranding is de reden dat de vastgelegde koolstof in de berekening weer verdwijnt. Een realistischer scenario, met hergebruik of recycling, houdt de koolstof langer vast en zou de score verbeteren. Zolang de methodiek het meest ongunstige einde standaard veronderstelt, wordt de circulaire werkelijkheid van deze materialen niet beloond.
Landgebruik telt mee, grondstofuitputting nauwelijks
Een derde punt zit in de weging zelf. Tot de negentien categorieën behoort landgebruik. Materialen die van het land komen, zoals hout, hennep, vlas en stro, scoren daar per definitie hoger op: ze groeien nu eenmaal op grond. Onderzoek achter de nieuwe weegset wijst het zwaarder wegen van hout dan ook deels toe aan landgebruik.
Tegelijk weegt de uitputting van eindige metalen en mineralen opvallend licht mee. De economische redenering achter de weegset gaat ervan uit dat de schaarste van deze grondstoffen al in de marktprijs tot uitdrukking komt, en dat er daarom nauwelijks sprake is van een extern milieu-effect. Het resultaat is een scheve verhouding. Het telen van een hernieuwbare grondstof wordt als belasting meegerekend, terwijl het eenmalig delven van een eindige grondstof vrijwel buiten beschouwing blijft. Voor materialen die in principe blijven aangroeien, is dat een merkwaardig vertrekpunt.
Na kritiek vanuit de sector is de weegfactor voor landgebruik in een latere versie naar beneden bijgesteld. Dat helpt, maar neemt de onderliggende asymmetrie niet weg.
Houtskeletbouw en CLT blijven interessant
Binnen de sector wordt vaak gewezen op houtskeletbouw en cross laminated timber als bouwsystemen die goed aansluiten bij circulair en biobased bouwen. Dat betekent echter niet dat een gebouw automatisch een lage MPG-score krijgt zodra hout als constructiemateriaal wordt toegepast.
De uiteindelijke milieuprestatie hangt af van het totale ontwerp. Isolatiematerialen, afwerkingen, installaties, bevestigingsmiddelen en onderhoudsverwachtingen spelen allemaal een rol. Niet een materiaal bepaalt de milieuprestatie van een gebouw, maar de samenhang tussen constructie, schil, installaties en levensduur. Een integrale benadering wordt daarmee steeds belangrijker.
Data worden minstens zo belangrijk als materialen
Een van de meest onderschatte gevolgen van de nieuwe regelgeving heeft weinig met de materialen zelf te maken. De MPG-berekening leunt op gegevens uit de Nationale Milieudatabase. Producenten moeten daarvoor beschikken over actuele, gevalideerde milieuverklaringen die aansluiten op de nieuwe A2-systematiek.
Ontbreken die gegevens, of zijn ze verouderd, dan wordt gerekend met generieke data. Op die generieke profielen rust een opslag van dertig procent ten opzichte van merkgebonden, onafhankelijk getoetste data. Juist biobased producten die nog geen eigen, geverifieerde verklaring hebben, worden daardoor strenger beoordeeld dan technisch gezien terecht is. Voor fabrikanten van biobased materialen ligt hier vaak een grotere uitdaging dan in de prestaties van het materiaal zelf.
Nieuwe kansen in scholen en zorggebouwen
De uitbreiding van de MPG-verplichting naar scholen, zorginstellingen en andere utiliteitsgebouwen kan een belangrijke ontwikkeling zijn voor de biobased sector. Juist in deze gebouwen spelen comfort, vochtregulatie, binnenluchtkwaliteit en duurzaamheid een grote rol. Dat zijn onderwerpen waarbij natuurlijke materialen regelmatig als aantrekkelijk alternatief naar voren komen.
Of dit ook leidt tot een ruimere toepassing van biobased materialen, hangt af van kosten, beschikbaarheid, prestaties en de manier waarop opdrachtgevers hun duurzaamheidsdoelen formuleren. De regelgeving opent de deur, maar bepaalt niet automatisch welke materialen worden gekozen.
Een completer systeem, nog geen eindpunt
De herziene MPG-methodiek is een belangrijke stap in de verduurzaming van de bouw. De uitbreiding naar negentien impactcategorieen en de verbreding naar nieuwe gebouwtypen geven een completer beeld van de milieueffecten van gebouwen. Dat is winst.
Tegelijk blijft het beeld onvolledig. Zolang opgeslagen CO2 in de eindscore op nul wordt geboekt, verbranding het standaard einde-levensduurscenario is voor biobased isolatie, en het telen van een hernieuwbare grondstof zwaarder weegt dan het delven van een eindige, geeft het vergelijk de werkelijke milieu-impact nog niet zuiver weer. Een completer beeld is iets anders dan een eerlijk beeld.
Wie de milieuprestatie van gebouwen serieus wil verbeteren, kijkt daarom niet alleen naar het rekenmodel, maar ook naar wat materialen in de praktijk doen: hoeveel koolstof ze vasthouden, hoe lang ze meegaan en wat er na de levensduur werkelijk mee gebeurt. Daarmee is de discussie over biobased bouwen relevanter dan ooit.







